|
Het is 2001, een half jaar voor de aanslagen op de WTC's. Amerika leeft nog altijd in dezelfde irreële roes. Elke dag ontmoet ik mensen die zich onoverwinnelijk achten, terwijl ze bijna sterven van onzekerheid en twijfel. Aan de UCLA word ik voor het tweede semester in een nieuwe groep ingedeeld. Vol jonge mensen, dit keer, wat een verademing is. Onze leraar, Neil Landau (foto), die "Don't tell mom the babysitter's dead" heeft geschreven, moet onze schrijverszielen verder kneden. Neil is een goeie kerel die me veel beter aanvoelt dan mijn vorige leerkracht Laurie Hutzler. Ik voel zijn vertrouwen en wil een script gaan schrijven dat komaf maakt met het grote cliché dat L.A. voor me is.

Intussen ben ik al gewoon geraakt aan mijn nieuwe roommate Eddie, die me dagelijks blijft bestoken met verhalen over zijn tijd bij de "marines", de "para's" bij ons. Hij is er ontzettend trots op. Maar Eddie is ook een echte womanizer, hij wil het bed delen met zowat elke vrouw in L.A. en slaagt daar bijna nooit in, omdat hij alleen maar dominantie uitstraalt. Eddie is een fenomeen, een beetje een loser in mijn ogen, maar best een oké kerel. Een man van de jaren zestig, die in de jaren zeventig is opgegroeid en zich niet wil schikken in een nieuwe tijd. Zoiets. Steeds vaker nodigt hij me uit om hem te vergezellen op zijn nachtelijke uitstappen naar clubs in Hollywood en West-Hollywood. Gedwee ga ik mee.
Charlotte dreig ik te vergeten, al is dat niet geheel waar. Elke dag maakt ze me het leven zuur met verhalen over mannen die ze heeft leren kennen en avonturen die ze met hen heeft beleefd. Ik word er half gek van. Intussen heb ik ook een halftime job aangenomen bij Landscape Entertainment. "Internship" noemen ze het daar. Ik moet kopies nemen van scripts die ze willen lezen. Kopies nemen en kopies nemen en zo nu en dan wat telefoons beantwoorden. Mijn Engels is Amerikaans geworden. Ik spreek met een vette 'aaaahrrrrrr'.
's Avonds vreet ik mezelf vol met pizza. Overdag maak ik soms een rit met de auto die ik heb gekocht, een Volkswagen Cabriolet die op z'n laatste benen loopt. Hoewel ik er 4.000 dollar voor heb neergeteld (na een check bij een garagist die zei dat het een prima auto was) komt er geregeld rook door het stuur of moet ik met een verhitte motor langs de kant van de weg gaan staan en Triple AAA bellen, de lokale Touring.
Ik begin een klein beetje een L.A.-er te worden. Ik ben paranoïde, ik draag altijd een zonnebril, ook als de zon niet schijnt, en ik denk alleen nog maar aan mezelf. Als iemand me aanraakt, dan krijgt die persoon een klap. Recht op zijn neus.
Dat heeft L.A. me geleerd. Niemand is nu eenmaal te vertrouwen...
|